Tot Zover
Symposium Het Dode Lichaam | terugblik
Op 28 mei werd in het Theatrum Anatomicum van het UMC Amsterdam door de Funeraire Academie een symposium georganiseerd over Het Dode Lichaam, tussen mens en materie. Lees hier het verslag.
Tekst: Mariske Westendorp, universiteit docent Culture antropologie, Utrecht universiteit
Fotografie: Hein Athmer, Zoalsheinhetziet fotografie
Op woensdagochtend 28 mei 2026, in de trein richting Amsterdam, contempleer ik mijn lichaam. Dit lichaam is van mij. De rondingen, littekens en versieringen zijn een reflectie van wie ik ben en hoe ik mij wens te presenteren. Mijn lichaam voelt hiermee als meer dan slechts een omhulsel of instrument voor de “ik” die ik wil zijn. Het is meer dan een toevallige samenkomst van cellen, organen, spieren, weefsel en bloed. Immers, middels dit vlees en bloed beweeg ik mij door de wereld, ga ik relaties aan en kan ik mijn omgeving zien, ruiken, voelen, proeven en ervaren. En door dit lichaam kunnen anderen met mij communiceren, mij aanraken en mij ervaren.
De vraag wat een lichaam precies is, raakt aan een klassieke filosofische discussie over de verhouding tussen mens en materie. Is het lichaam een object dat de mens bezit, een biologisch omhulsel van een innerlijk zelf? Of is het lichaam juist medebepalend voor wie iemand is, doordat ervaringen, waarnemingen en handelen altijd lichamelijk gesitueerd zijn? Hoewel deze discussie zich voornamelijk heeft toegespitst op het levende lichaam, roept ook het lichaam van een overledene vergelijkbare vragen op. Is het nog slechts materie, of behoudt het een bijzondere betekenis doordat het verbonden blijft met de persoon die het was?
Het gestorven lichaam confronteert ons met zowel een filosofisch probleem als een bijzondere kans tot reflectie. Wanneer iemand sterft, verdwijnt de persoon (of, in sommige opvattingen, de ziel), maar het lichaam blijft achter. Wat resteert, behandelen we niet als willekeurig afval of als een leeg omhulsel dat zijn functie heeft verloren. Wereldwijd bestaan talloze, vaak eeuwenoude rituelen, gebruiken en tradities rond de omgang met dode lichamen en menselijke resten. Dat wij zulke praktijken ontwikkelen en in stand houden, suggereert dat het lichaam voor ons meer is dan een biologisch object waarin tijdelijk een persoon heeft gewoond. Tegelijkertijd is het zonder die persoon ook niet langer een warm, voelend en levend lichaam. Het bevindt zich daardoor in een tussengebied: tussen subject en object, tussen het persoonlijke en het materiële, tussen mens en materie.
Juist deze ambiguïteit maakt het gestorven lichaam moeilijk te definiëren. Dat blijkt ook uit de recente discussies over de herziening van de naam van de Wet op de lijkbezorging. Dekt het woord “lijk” nog wel de lading, of roept het in de hedendaagse samenleving een te objectiverende, afstandelijke of harde associatie op, juist omdat het onvoldoende recht lijkt te doen aan de blijvende verbondenheid tussen het lichaam en de persoon die het vertegenwoordigt?
Deze vragen staan centraal tijdens de meest recente bijeenkomst van de Funeraire Academie. De middag, georganiseerd door Yvon van der Pijl (Universiteit Utrecht) Brenda Mathijssen (Rijksuniversiteit Groningen) en Laura Cramwinckel (Museum Tot Zover), draait om de betekenis van het lichaam na de dood. Wat is een dood lichaam? Wanneer houdt een mens op iemand te zijn? Is een overledene nog een sociaal wezen, een subject met een eigen identiteit? Of resteert slechts een lichaam waaruit persoonlijkheid, ziel of geest zijn verdwenen? En kan dat lichaam ooit werkelijk een object worden? Deze vragen krijgen specifieke lading in onze huidige tijd. Volgens Van der Pijl is dit een tijd die gekenmerkt wordt door een afwezigheid van het dode lichaam: zieken worden behandeld in ziekenhuizen, mensen sterven in het hospice, en het lichaam wordt opgebaard in uitvaartcentra. Gevolg: we hebben onze relatie met het zieke, stervende en gestorven lichaam verloren.
Ziekenhuis als decor van discussie
De locatie is wat dat betreft zowel treffend als wrang gekozen. Omdat ik relatief vroeg ben aangekomen in het Amsterdam UMC, heb ik tijd om door het gebouw te dwalen. Het ziekenhuis is bij uitstek een plek waar het lichaam wordt benaderd als een biologisch organisme dat gezond moet zijn en blijven. Een veelgehoorde kritiek op de moderne westerse geneeskunde is dan ook dat zij zich te sterk richt op het lichaam en te weinig op de mens. Wat betekent een lichaam dan in deze context?
Die vraag dringt zich steeds sterker aan mij op naarmate ik richting het Theatrum Anatomicum loop, waar we ons die middag verzamelen. De zaal bevindt zich in de pathologievleugel, omringd door ruimtes waar studenten medische handelingen oefenen op preparaten en leren over de werking van het menselijk lichaam. Terwijl ik langs vitrines met anatomische modellen en lichaamspreparaten loop, vraag ik me af waar de mens zich in deze gangen bevindt. Is hij hier nog aanwezig, of resteert slechts het lichaam als object van kennis, studie en behandeling?
Diezelfde spanning wordt treffend verbeeld in de AI-gegenereerde afbeelding die het symposium siert. Op een mortuariumbaar ligt een lichaam onder een wit laken, met beide voeten zichtbaar. Tussen de tenen van de rechtervoet prijkt een rode roos als teken van leven. Aan de grote teen hangt een rode ballon in de vorm van een hartje, symbool voor liefde. Rond de linkervoet hangt een identificatiekaartje waarop naam, datum en locatie kunnen worden ingevuld. Mens of lichaam. Ziel of omhulsel. Persoon of object. Met een publiek van zo'n zestig deelnemers duiken we die middag in precies deze vragen.
Van mens naar preparaat
De bijeenkomst bestaat uit twee sessies met elk twee sprekers die vanuit hun eigen expertise reflecteren op de materie waarmee zij werken. Het eerste deel richt zich op de betekenis van het lichaam binnen de medische praktijk en de postmortale zorg, bekeken vanuit zowel medisch onderzoek als de behoeften van nabestaanden. In de tweede sessie verschuift de aandacht naar lichaamsresten die zichtbaar worden gemaakt in musea en kunstwerken, en naar de vraag in hoeverre zij daar object of subject zijn.
Als eerste spreker presenteert Roelof-Jan Oostra (hoogleraar medische biologie en klinische en medische morfologie, Amsterdam UMC) een eenvoudig maar treffend schema met drie categorieën, georiënteerd van links naar rechts: mens, lichaam en preparaat. Alle sprekers van vandaag bevinden zich, bewust of onbewust, ergens op dit spectrum. Oostra laat zien dat kennisproductie vaak vraagt om een beweging van links naar rechts: mensen worden lichamen en lichamen worden preparaten. Om het lichaam te bestuderen, moet het immers in zekere zin losgemaakt worden van de persoon die het ooit was. Tegelijkertijd benadrukt Oostra dat die beweging niet slechts één richting kent. Zorg, herinnering en nieuwe verhalen kunnen ervoor zorgen dat lichamelijke resten opnieuw menselijk worden. As kan worden verwerkt in een kunstwerk. De geschiedenis van een preparaat kan worden achterhaald. Lichamelijke resten kunnen worden gerepatrieerd en terugkeren naar de gemeenschappen waar zij oorspronkelijk deel van uitmaakten. Daarmee ontstaat een beweging in de andere richting: van preparaat naar lichaam, van lichaam naar mens.
Dat wordt ook zichtbaar in de woorden die de verschillende sprekers gebruiken. Oostra vertelt over het lichaamsdonatieprogramma van het Amsterdam UMC. Jaarlijks worden tussen de driehonderd en vijfhonderd lichamen gedoneerd aan wetenschappelijk onderzoek, een aantal dat bovendien groeit. De meeste lichamen worden gebalsemd; een toenemend aantal wordt ingevroren zodat studenten chirurgische technieken kunnen oefenen. Een kleiner deel wordt direct ingezet voor onderzoek, bijvoorbeeld op de tafonomische onderzoeksbegraafplaats ARISTA.
Oostra spreekt consequent over “lichamen” of “stoffelijke overschotten,” termen die hij beschouwt als respectvol en relatief neutraal. Zijn relatie met het lichaam begint op het moment dat het wordt binnengebracht. Er is meestal geen contact geweest met de donor tijdens diens leven en doorgaans ook niet met de nabestaanden. Daardoor bevindt het lichaam zich voor hem primair binnen een context van onderzoek, onderwijs en kennisproductie.
Zorg voor wie niet meer kan spreken
Heel anders is dat voor Floortje Agema (mortuariummedewerkster, Radboud UMC Nijmegen en rouw- en verliesbegeleider), die in haar werk voortdurend schakelt tussen de overleden persoon en diens naasten. De mensen die worden binnengebracht in het mortuarium noemt zij niet alleen patiënten, maar ook “meneer Jansen” of “mevrouw Pieterse.” Ook na de dood verdienen zij volgens haar zorg en aandacht. Zoals ze zelf zegt: “Je bent nooit zo kwetsbaar als wanneer je dood bent,” omdat je dan niet meer voor jezelf kunt spreken.
In haar werk zijn de overledenen bovendien nooit alleen. Zij worden omringd door familieleden en vrienden die hen nog altijd zien als persoon, met een geschiedenis, karakter en relaties. Daarom probeert Agema een omgeving te creëren die niet kil en klinisch aanvoelt, maar warm en uitnodigend. Tegelijkertijd realiseert ze zich dat ook zij onderdeel wordt van dit netwerk van zorg. Het besef dat een overleden persoon iemands kind, partner of broer is, blijft volgens haar een belangrijke maar soms ook moeilijke gedachte.
Respect voor een lichaam blijkt bovendien geen eenduidig begrip. Voor de één betekent het een uitgebreide verzorging na de dood; voor de ander juist zo min mogelijk ingrijpen. Ook hier blijkt dat de betekenis van een lichaam niet vastligt, maar ontstaat in relatie tot de mensen die ermee verbonden zijn.
Verborgen verhalen achter museumcollecties
Laurens de Rooy (curator director Museum Vrolik, Amsterdam UMC) plaatst de lichamelijke resten die worden tentoongesteld in Museum Vrolik eveneens in zulke bredere netwerken van betekenis. In zijn verhaal wordt duidelijk dat een lichamelijke rest nooit uitsluitend een preparaat is. Wat lange tijd als ontmenselijkt object is gepresenteerd in de museumcollectie, kan opnieuw menselijk gemaakt worden wanneer de geschiedenis ervan zichtbaar wordt gemaakt. De meeste lichaamsdelen in museum Vrolik zijn verzameld in specifieke historische contexten en dienden uiteenlopende wetenschappelijke doelen. Zo werden sommige gebruikt ter ondersteuning van inmiddels achterhaalde rassentheorieën. Tegelijkertijd vertellen de lichaamsresten iets over de geschiedenis van verzamelen, conserveren en prepareren. En achter ieder preparaat schuilt een persoon, ook wanneer die persoon lange tijd uit beeld is verdwenen. De vraag wie die persoon was, waar hij of zij vandaan kwam en welke betekenis deze resten vandaag de dag hebben, blijft daarom relevant. Dat leidt onder meer tot repatriëringsprojecten waarbij preparaten worden teruggebracht naar gemeenschappen van herkomst. Maar het leidt ook tot herkenning bij bezoekers die via een preparaat inzicht krijgen in een aandoening die zij zelf hebben.
De Rooy spreekt daarom meestal niet simpelweg over preparaten of menselijke resten. Het zijn hersenhelften, torso’s en botten met een geschiedenis, ingebed in netwerken van onderzoekers, bezoekers, nabestaanden en gemeenschappen. Welke betekenis de resten krijgen, hangt af van de mensen die zich ertoe verhouden. Op die manier kunnen preparaten preparaat blijven, maar ook opnieuw menselijk worden.
As, kunst en aanwezigheid
Of een lichaamsdeel object of subject is, blijkt daarmee steeds afhankelijk van context. Dat geldt ook voor lichaamsstoffen die niet langer direct onderdeel zijn van een lichaam. In een vraaggesprek reflecteert kunstenaar Amber de Vreng hierop aan de hand van haar werk, waarin zij as verwerkt in, onder andere, portretschilderijen van overleden dierbaren. Volgens antropologe Shannon Lee Dawdy (“American Afterlives: Ghosts in the Commodity,” 2019) zijn dergelijke objecten als het ware gematerialiseerde geesten in een gecommercialiseerde vorm: het object, dat geproduceerd is door een kunstenaar, wordt door toevoeging van menselijke resten zowel menselijk als niet-menselijk. Hoe verhoudt De Vreng zich tot deze ogenschijnlijke tegenstelling tussen object en subject?
Tijdens het schilderen zit de nabestaande vaak naast De Vreng. Door de as in het portret te verwerken wordt de aanwezigheid van de overledene voor haar en de dierbare tastbaar. Niet alleen het verhaal van die persoon zit dan in het schilderij besloten, maar ook iets van wie die persoon was. Zoals De Vreng zelf zegt: “Als mensen hun verhaal doen, wordt het schilderij een persoon.” Een voorbeeld maakt dat inzichtelijk. Tijdens het schilderen kwam ooit een klein druppeltje verf met as op een plek terecht waar het niet hoorde. De nabestaande die naast haar zat reageerde direct: “Dat is typisch mijn vader; die zit altijd te dollen.” Op zo’n moment krijgt een restmateriaal opnieuw karakter en persoonlijkheid.
Dezelfde dubbelzinnigheid ervaart De Vreng ten aanzien van de as die overblijft nadat een werk voltooid is. Die gooit ze niet zomaar weg. Tegelijkertijd blijft haar werk onderdeel van een professionele praktijk waarvoor betaald wordt. Ook dat spanningsveld hoort erbij. Uiteindelijk blijft er ooit misschien slechts een schilderij over, wanneer ook de nabestaanden zijn overleden. Dus ook dan blijft de betekenis van het werk veranderen, afhankelijk van de mensen en verhalen die ermee verbonden raken.
Drie excursies, drie perspectieven
Na de lezingen is het tijd om het gehoorde in praktijk te zien. We worden verdeeld in drie groepen, die elk een andere plek in en rondom het AMC bezoeken. Eén groep bezoekt onder de bevlogen vertelbegeleiding van Laurens de Rooy museum Vrolik. Een andere groep krijgt een rondleiding door zowel de snijzaal als het mortuarium. Daar wordt men geconfronteerd met reeds geprepareerde lichamenen en lichamen die net zijn binnengekomen, wachtend op hun volgende bestemming. Zelf vergezel ik Roelof-Jan Oostra naar de tafonomische onderzoeksbegraafplaats: een stuk grond net buiten het hoofdgebouw van het AMC, waar lichamen begraven liggen voor onderzoek naar ontbinding en forensische opsporing. Vol vragen, ideeën en indrukken keren we terug voor een gezamenlijke reflectie en een welverdiende borrel.
Mortuarium
Hij was al snel voltekend, de rondleiding naar het mortuarium. Toch beginnen we in de snijzaal, waar op tafel een dood lichaam ligt, onder een wit laken en gewikkeld in een vochtige groene handdoek. De snijzaalmedewerkster vertelt enthousiast over haar werk: hoe belangrijk deze gedoneerde lichamen zijn voor de wetenschap en het onderwijs. Studenten leren hier de complexe driedimensionale structuren van organen, spieren en zenuwen herkennen door zelf te snijden of door demonstraties van ervaren anatomen. Het geprepareerde lichaam ligt inmiddels bloot. Ze zet een stap achteruit en deelt handschoentjes uit. Wie wil mag nu zelf voelen.
Even later dalen we af naar het mortuarium in de kelder. Lege grafkisten staan langs hoge koelcellen waar lichamen of preparaten liggen opgeslagen voor onderzoek en oefening. Gisteren is er een meneer gebracht, we staan wat bedeesd om hem heen. Er wordt formaldehyde met een balsempomp in zijn dijslagader gebracht. Ik leer dat het bloed blijft zitten zodat alles tot in de kleinste haarvaten wordt opgevuld. Ik leer dat de medewerkster mentaal switcht van verzorging (mens) naar werkstuk (materie, preparaat). Voor haar is het nu een stoffelijk overschot, maar ze ervaart het als een grote eer om zijn laatste wens te mogen vervullen (Laura Cramwinckel).
Juist in deze excursies werd zichtbaar wat gedurende de middag steeds opnieuw naar voren kwam. Hoewel de sprekers werken met stoffelijke overschotten, lichaamsdelen, preparaten, as of onderzoeksmateriaal, spraken zij nooit uitsluitend over objecten. Steeds ging het ook over mensen: over patiënten, donoren, voorouders, geliefden en nabestaanden. Het symposium maakte daarmee duidelijk dat de grens tussen mens, lichaam en preparaat niet vastligt. Een lichaam kan in de ene context onderzoeksobject zijn en in een andere context opnieuw onderdeel worden van een netwerk van herinneringen, zorg en betekenis. Dehumanisering en rehumanisering blijken geen lineaire processen, maar bewegingen die elkaar voortdurend kunnen afwisselen.
Een lichaam in een netwerk
Wanneer ik het AMC verlaat, spelen de vragen waarmee ik de ochtend begon nog steeds door mijn hoofd. Wat is mijn lichaam, en wat blijft ervan over wanneer ik er niet meer ben? De middag heeft geen definitief antwoord gegeven (een vervolgsymposium is wat dat betreft wellicht op zijn plaats), maar wel een belangrijk inzicht opgeleverd. Een lichaam bestaat nooit op zichzelf. Ook na de dood blijft het verbonden met geliefden, wetenschappelijke praktijken, ethische afwegingen, culturele waarden en persoonlijke verhalen. Het lichaam houdt daarom niet simpelweg op een menselijk lichaam te zijn zodra het leven eruit verdwenen is. De betekenis ervan blijft veranderen, afhankelijk van de relaties waarin het zich bevindt. Misschien is dat wel de belangrijkste conclusie van deze middag: een lichaam is altijd een lichaam in een netwerk, en juist die netwerken bepalen of we het zien als mens, lichaam, preparaat – of als al die dingen tegelijkertijd.
Coming soon
Vanwege de grote belangstelling komt er een spin-off van het onderdeel rondleidingen Amsterdam UMC.
Meld u zichzelf aan om hierover bericht te ontvangen (zie onder).
Organisatie
Het symposium Het dode lichaam: tussen mens en materie wordt georganiseerd door de Funeraire Academie. Met dank aan Amsterdam UMC (locatie AMC), Tot Zover, museum over leven en dood, Museum Vrolik en Universiteit Utrecht.
Wilt u op de hoogte gehouden worden over volgende bijeenkomsten van de Funeraire Academie?
Mail naar Lizz Heijn,
communicatie@totzover.nl, dan zet ze u op de FA mailinglist.