scene op de speelvloer scene op de speelvloer

Tot Zover

Verslag Workshop Grensverkenningen

Op 15 november 2018 organiseerde de Funeraire Academie in Eindhoven een workshop voor uitvaartprofessionals. Deze bood reflectie op de eigen professionele identiteit, grenzen en beperkingen.


Verslag

door: dr. Martin Hoondert, Tilburg University

De uitvaartverzorger begeleidt mensen bij het afscheid van een geliefde, maar wie begeleidt de uitvaartprofessional? Wie helpt hem of haar om te reflecteren op de dilemma’s die zich voordoen? Hoe kan hij of zij leren van de dagelijkse ervaringen? Die vragen waren de aanzet tot de workshop die werd in- en uitgeleid door Ria van den Brandt, filosoof en supervisor aan de Radboud Universiteit. Odette de Theije, psychiater en systemisch werker, leidde de gesprekken bij de casussen.

Het was een besloten bijeenkomst van circa 30 personen, een gemengde groep van uitvaartverzorgers, uitvaartleiders en ritueelbegeleiders. In onderstaand verslag spreek ik gemakshalve alleen van 'uitvaartverzorger'. De workshop bestond uit enkele casussen waarin met behulp van twee trainingsacteurs en enkelen van de deelnemers complexe situaties, ontleend aan de dagelijkse praktijk van uitvaartverzorgers en ritueelbegeleiders, werden nagespeeld en al doende werden ‘onderzocht’. In dit verslag zijn de bevindingen van reflectie voorzien.

Casus 1

De ouders van een broer en zus zijn kort na elkaar overleden. De zus is niet bij haar ouders opgegroeid, maar in Duitsland, maar nu moeten broer en zus samen de uitvaart regelen. Dit leidt tot een conflictueuze situatie. De zus (“Het zijn ook mijn ouders!”) wil geen religieus ritueel, maar een eenvoudige crematie, zodat ze de as mee naar huis kan nemen. De broer (“Ik weet heel goed wat de laatste wens is van vader en moeder”) wil juist wel een viering in de kerk.

 

Reacties op casus

Drie personen nemen de rol van uitvaartverzorger op zich:
1.    De eerste uitvaartverzorger zegt nauwelijks iets, ze laat broer en zus flink ‘spuien’. Eerst moeten de frustraties eruit, pas dan is er ruimte voor gesprek.
2.    De tweede uitvaartverzorger grijpt meer in. Voor hem moet dit ‘regelgesprek’ binnen een beperkt tijdbestek afgerond kunnen worden. De opdrachtgever (de broer) betaalt, dus die bepaalt ook wat er gaat gebeuren.
3.    De derde uitvaartverzorger neemt een meer bemiddelende positie in. Zij stelt voor dat de zus iets anders van waarde meeneemt naar Duitsland (bijv. een ketting) en eventueel daar een herinneringsbijeenkomst organiseert naar eigen wensen en inzichten.

 

Leerpunten

De uitvaartverzorger kan in het gesprek verschillende rollen aannemen, van dienstverlener tot hulpverlener. De dienstverlener stelt zich min of meer formeel op: hij is niet degene die uiteindelijk de knopen doorhakt, wel kan hij grenzen aangeven, mogelijkheden schetsen. De hulpverlener zal proberen in het conflict te bemiddelen, zoekt naar ruimte, een compromis misschien. De rol van hulpverlener (die je soms ongewild of onbewust op je neemt) vraagt een scherp inzicht in de situatie, een scherpe analyse van het conflict en inzicht in de achterliggende spanningen die leiden tot een impasse in het nemen van allerlei praktische besluiten die nodig zijn om de uitvaart te regelen. Dat vraagt wellicht te veel tijd en die is er vaak niet. Hier ligt, naar mijn idee, het dilemma: stel je je praktisch op en richt je je tot de opdrachtgever en laat je daarmee kansen liggen om een conflict in de richting van een oplossing te brengen? Of ga je in op het conflict en loop je daarmee het risico dat je in tijdnood komt (en dat de besluiten die genomen worden wellicht uiteindelijk voor niemand bevredigend zijn)?
    Wat lastig is in deze casus is het onderliggende onderscheid tussen ‘belangen’ en ‘behoeften’. Het praktisch regelen van de uitvaart is een belang, dat moet gebeuren. De zus wil het eenvoudig, de broer uitgebreid met een kerkdienst. Onder die belangen liggen echter behoeften. Bij de zus is dat de sterke behoefte om erkend te worden als ‘kind van’, bij de broer de behoefte om gezien te worden in zijn rol als goede zoon die voor zijn ouders heeft gezorgd. Die behoeften zijn latent, ze worden niet uitgesproken. We kunnen wel zoeken naar een compromis op het niveau van de belangen, maar daarmee komen we niet tegemoet aan de behoeften en blijft het conflict bestaan. In deze casus kan het wellicht helpen die behoeften te benoemen: “Ik zie een zus die haar ouders erg gemist heeft en die zich graag over de grenzen van de dood heen met hen wil verbinden; ik zie een broer die met grote zorg voor zijn ouders heeft gezorgd. Ik denk dat jullie elkaar kunnen vinden in de manier waarop jullie allebei met jullie ouders verbonden zijn.” Wellicht biedt het benoemen van de behoeften (en ze daarmee zichtbaar te maken) een opening om de praktische zaken te regelen.

Literatuur
George Kohlrieser, Laat je niet gijzelen. Over leiderschap, verbinding, dialoog en werkelijke verandering. Witsand Uitgevers 2016.

 

Casus 2

De partner van een vrouw is overleden. Terwijl de uitvaartverzorger het gesprek voert met de nabestaande, een gesprek waarin allerlei praktische beslissingen worden genomen, komen achtereenvolgens de ex-man van de overledene en de buurvrouw binnen. Zij trekken allerlei beslissingen weer in twijfel (“Dat ga je toch niet zo doen?”) en doen tegenvoorstellen. Het resultaat is een chaotisch gesprek en allerlei onzekerheden over hoe de uitvaart nu geregeld moet worden.

 

 

Leerpunten

Een gesprek dat chaotisch wordt, met meerdere personen die inbreken op het proces tussen uitvaartverzorger en opdrachtgever, vraagt om een vorm van metacommunicatie. Daarbij gaat het niet meer om de inhoud en de praktische zaken die geregeld worden, maar om het communicatieproces zelf. De vraag is: wanneer doe je dat, wanneer laat je het regelgesprek los en ga je over op een vorm van metacommunicatie? En ook: hoe moet die meta-communicatie eruit zien, wat zeg je dan? De situatie is er niet naar om heel analytisch naar het communicatieproces te kijken, de mogelijkheid ontbreekt om echt even ‘boven de situatie te gaan hangen’. Je kunt de metacommunicatie ook toepassen door te benoemen wat de chaotische gang van zaken met jou als uitvaartverzorger doet: “Pff, wat gaan we nu doen, nu er zoveel meningen geuit worden!?” Een volgende stap is het bevragen van de opdrachtgever op ditzelfde emotionele niveau: “Wat doet het met u, al deze meningen door elkaar?”


    Onder het chaotisch verlopende gesprek ligt nog een andere kwestie, namelijk: voor wie is de uitvaart bedoeld? Het is goed om ernaar te streven dat alle sociale kringen rondom de overledene zich gehoord en erkend voelen. Het afscheid van de overledene is een afscheid van en voor allen. We streven naar een inclusieve uitvaart (ik ben me ervan bewust dat dit een statement is die discussie kan oproepen). Maar inclusie mag niet verhinderen dat eerst en vooral de direct nabestaanden troost moeten kunnen putten uit de uitvaart. In deze casus wordt de sociale druk op de nabestaande opgevoerd. Het is de taak van de uitvaartverzorger het gesprek steeds weer terug te halen naar de nabestaande: “Wat is troostrijk voor u, wat helpt u bij het afscheid nemen?” Deze kwestie kan ook vanuit ritueel perspectief benaderd worden. Vroeger stond het uitvaartritueel min of meer vast, het was een voorgeschreven en daarmee ook voorgegeven handelingspatroon. Nu is het uitvaartritueel in sterke mate gepersonaliseerd (ook al zijn er veel terugkerende elementen!). Dit betekent dat de vormgeving van de uitvaart (wat, door wie, hoe?) steeds een open vraag is en ook open staat voor input vanuit verschillende richtingen/personen. Het is juist de professional die de drie genoemde elementen (inclusieve uitvaart, troost voor de direct nabestaanden en rituele vormgeving) bij elkaar kan houden.

Literatuur
Tara Bailey & Tony Walter, Funerals against death, in Mortality 21 (2016) no 2, 149-166.
Louis van Tongeren (red.), Vaarwel. Verschuivingen in vormgeving en duiding van uitvaartrituelen (Meander 9). Kampen 2007.

 

 

Casus 3

Er is een kind gestorven, een jongetje van 6 jaar, het enig kind van een jong stel. De casus begint bij het tweede gesprek over de uitvaart. In het gesprek blijkt dat de ouders heel veel wensen hebben, maar slechts een klein budget.

 

 

Reacties op casus

Alvorens een van de aanwezige deelnemers aanschoof bij de acteurs, ontspon zich een discussie. De uitvaart van een kind roept veel emotie op. Iemand stelde de vraag of we dit wel als casus kunnen behandelen. Weer een ander merkte op dat bij een dergelijke situatie de uitvaartverzorger bij voorkeur met z’n tweeën naar het gesprek gaan. Aanvankelijk wilde niemand aanschuiven bij de twee acteurs, de casus was te beladen, er was te veel discussie over de ‘gepastheid’. Uiteindelijk schoven twee deelnemers aan en werd de aandacht vooral gericht op het tegemoetkomen aan de wensen van de ouders binnen de mogelijkheden van het budget.

Leerpunten

De leerpunten naar aanleiding van deze casus komen niet zozeer uit de casus zelf, maar uit de reactie op de casus: waarom reageren we zo heftig op de uitvaart van een kind in deze context van een workshop? Ik vermoed dat de emoties zo oplopen, omdat bij de uitvaart van een kind ons gevoel voor ‘rechtvaardigheid’ aangetast wordt. Een kind hoort niet te sterven. Dat is al ingewikkeld als de vraag op ons afkomt als uitvaartprofessional (we willen wel helpen, maar de vraag is wel: ‘Kan ik dat aan?’), de vraag wordt nog verwarrender in de context van een workshop, want daarin worden we uitgedaagd ‘te spelen’ met een mogelijke werkelijkheid die we als werkelijkheid eigenlijk niet willen accepteren.
    Als een kind sterft, wordt ons basisvertrouwen ‘dat het leven goed is’ aangetast. Impliciet volgen we de ‘just-world hypothese’, die ervan uitgaat dat er een samenhang is tussen ons handelen en datgene wat ons overkomt. In het dagelijkse taalgebruik zien we dat terug in een zinnetje als ‘Je krijgt wat je verdient’. Als een kind sterft, is deze hypothese onhoudbaar. In de theologie is dit probleem uitgewerkt in de zogenoemde theodicee: een reflectie op het probleem van het lijden. Een voorbeeld daarvan is het al oude boekje van Harold Kushner: Als het kwaad goede mensen treft (1984). Kushner weet waarover hij praat, want hij verloor zijn zoontje aan een zeldzame ziekte. Het probleem van het lijden is ten diepste onoplosbaar en dat voelen we heel sterk als een kind sterft: daar is niks goeds aan en daar valt niks zinnigs over te zeggen, dat heeft geen enkele zin.

Literatuur
Maaike de Haardt, Dichter bij de dood. Feministisch-theologische aanzetten tot een theologie van de dood. Zoetermeer 1993. Zie ook: https://www.trouw.nl/cultuur/-theologen-lijken-nauwelijks-te-beseffen-dat-de-mens-sterfelijk-is-~ae5dd26f/.